Hoe bekend is ‘bekent’?  Wat leerlingen in groep 8 weten over werkwoordspelling

Robert Chamalaun

Samenvatting

Een groot deel van de regels voor de Nederlandse werkwoordspelling wordt aangeleerd in het basisonderwijs. In het Referentiekader Taal en Rekenen is gespecificeerd welke werkwoordsvormen leerlingen correct moeten kunnen spellen en welke grammaticale begrippen zij moeten beheersen om tot een correcte spelling te kunnen komen. Aan het einde van de basisschool hoeven leerlingen werkwoorden die hetzelfde klinken maar anders gespeld worden (bijvoorbeeld bekent/bekend) nog niet te beheersen. Toch wordt de spelling van deze werkwoorden vaak al wel aangeleerd. In dit artikel wordt ingegaan op de vraag in hoeverre leerlingen in groep 8 beschikken over voldoende kennis van de grammatica om deze gelijkklinkende werkwoordsvormen correct te kunnen spellen.

De resultaten laten zien dat basisschoolleerlingen ook gelijkklinkende werkwoorden kunnen spellen, hoewel ze deze nog niet hoeven te beheersen. Bekent is voor een deel van de leerlingen dus zeker bekend. Er worden meer fouten gemaakt in de spelling van werkwoorden waarvan de stam eindigt op een <d>. Leerlingen die de grammaticale functie van een werkwoordsvorm correct benoemen, spellen deze ook vaker goed. Van veelvoorkomende werkwoorden wordt zowel de persoonsvorm als het voltooid deelwoord even vaak correct benoemd, terwijl de persoonsvorm vaker correct gespeld wordt dan het voltooid deelwoord.

De belangrijkste conclusie is dat leerlingen die de grammaticale functie van de werkwoordsvorm correct wisten te benoemen een grotere kans hadden de werkwoordsvorm ook daadwerkelijk goed te spellen. Leerkrachten doen er dan ook verstandig aan voldoende aandacht te besteden aan de grammaticale begrippen die leerlingen nodig hebben voor de werkwoordspelling.

Artikel: 2026-04. Publicatiedatum: 5 januari 2026.

APA: Chamalaun, R. J. P. M. (2026). Hoe bekend is ‘bekent’?  Wat leerlingen in groep 8 weten over werkwoordspelling. De Onderwijzer, Artikel 2026-04. https://deonderwijzer.com/2026-04/

Inleiding

De spelling van werkwoorden in het Nederlands is voor veel basisschoolleerlingen een lastig onderdeel. Hoewel leerlingen werkwoorden correct zouden moeten kunnen spellen als zij de regels goed volgen, blijkt het in de praktijk nog best lastig die regels altijd goed toe te passen. Op het eerste gezicht lijken die regels eenvoudig. Desondanks worden er veel fouten gemaakt, wat erop lijkt te duiden dat de regels toch minder eenduidig zijn dan we zouden verwachten (Bakker-Peters et al., 2017). In dit artikel wordt ingegaan op de vraag waarom het toepassen van de regels moeilijk is en worden aanbevelingen gedaan voor leerkrachten om de kans dat leerlingen fouten maken in de werkwoordspelling te verkleinen. Om die vraag te beantwoorden zal ik eerst aandacht besteden aan een aantal belangrijke principes waarop de Nederlandse spelling is gebaseerd. 

De Nederlandse spelling

De Nederlandse spelling gaat uit van een aantal belangrijke basisprincipes. Het eerste is het fonologisch principe, wat wil zeggen dat de klank die hoorbaar is in de standaarduitspraak wordt weergegeven in letters. Voor klankzuivere woorden is die foneem-grafeemrelatie consistent. Denk bijvoorbeeld aan het woord kip, waarbij het foneem /k/ gekoppeld wordt aan het grafeem <k>, /ɪ/ aan <i> en /p/ aan <p>. Als leerlingen leren spellen, vertrouwen zij op dit basisprincipe: ‘spel wat je hoort’. Later leren zij dat bij sommige woorden de foneem-grafeemrelatie niet zo eenduidig is. Een voorbeeld is het woord hand, waarbij het foneem /t/ gekoppeld wordt aan het grafeem <d>. De reden is het tweede basisprincipe van de spelling: het morfologisch principe, dat zegt dat verschillende vormen van een woord zoveel mogelijk gelijk gespeld worden: we schrijven hand omdat we handen schrijven. Het morfologisch principe gaat hier dus voor het fonologisch principe.

Homofonie

Veel alfabetische talen, zoals het Nederlands, kennen woorden die wel hetzelfde klinken, maar anders gespeld worden. Een voorbeeld is het woordpaar ijs en eis. Deze woorden worden hetzelfde uitgesproken, namelijk als /ɛis/, maar ze hebben een verschillende betekenis. Dit soort woordparen worden homofonen (gelijkluidend) genoemd. Uit de context van de zin begrijpen we meestal welk van de twee betekenissen bedoeld wordt. In de meeste gevallen levert het spellen van zo’n woord dan ook niet al te veel problemen op.

Dat ligt echter heel anders in geval van homofonen die grammaticaal bepaald worden. Zo vormen word en wordt ook een homofoonpaar (beide vormen klinken als /ʋɔrt/), maar de betekenis gaat niet helpen bij het bepalen van de juiste spelling, omdat de woorden hetzelfde betekenen. In deze gevallen moet er een grammaticale analyse gemaakt worden. Om te bepalen of word of wordt gespeld moet worden, is het nodig vast te stellen wat het grammaticale onderwerp is. Alleen als het onderwerp de tweede of derde persoon enkelvoud is, moet immers een <t> achter de ik-vorm geplaatst worden.

Oorzaken van fouten bij homofone werkwoorden

Een bijzondere categorie homofone werkwoorden in het Nederlands zijn de werkwoorden die beginnen met een onbeklemtoond voorvoegsel, zoals gebeuren, vertellen of herkennen. Voorbeelden zijn de homofoonparen die gevormd worden door de persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud (gebeurt, vertelt, herkent) en het voltooid deelwoord (gebeurd, verteld, herkend). Een ander voorbeeld is de persoonsvorm verleden tijd enkelvoud en het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord, bijvoorbeeld verbrandde versus verbrande. Onderzoek heeft laten zien dat vooral bij homofone werkwoordsvormen veel fouten worden gemaakt (bijvoorbeeld Assink, 1985; Bosman, 2005; Chamalaun et al., 2021; Frisson & Sandra, 2002; Sandra et al., 1999, 2004). Hiervoor zijn een aantal verschillende oorzaken (zie ook Chamalaun & Bosman, 2023).

Een eerste oorzaak is de frequentie van de werkwoordsvorm: spellers geven de voorkeur aan vormen die vaker voorkomen (bijvoorbeeld Sandra et al., 1999). Zo komt de vorm wordt vaker voor dan de vorm word. De kans bestaat dat spellers de hoogfrequente vorm wordt kiezen, terwijl het de laagfrequente vorm word had moeten zijn, bijvoorbeeld in de zin Ik begrijp nu waarom ik hier zo blij van word. Dit effect wordt ook wel het homofoondominantie-effect genoemd.

Een tweede oorzaak is de complexiteit van een zin: als de afstand tussen het grammaticale onderwerp en de te spellen werkwoordsvorm groter is, neemt de kans op spelfouten toe (bijvoorbeeld Assink, 1985). In het voorgaande voorbeeld, maar ook in een zin als Het is belangrijk dat je altijd alles eerlijk verdeelt is er een behoorlijke afstand tussen het onderwerp (je) en de werkwoordsvorm (verdeelt). Ook kan de grammaticale structuur van een zin soms verwarring veroorzaken. In een zin als Als de verdachte nu de overtreding bekent, heeft dat geen verdere gevolgen werkt de combinatie van bekent en heeft verwarrend. Hoewel de werkwoordsvormen deel uitmaken van afzonderlijke gezegdes, lijkt het of heeft een hulpwerkwoord is bij bekent, waardoor de verleiding bestaat om bekent met een <d> te spellen.

Een derde oorzaak is een matig ontwikkeld grammaticaal bewustzijn. Om homofone werkwoordsvormen goed te kunnen spellen, is een correcte grammaticale analyse een voorwaarde. Zonder een grammaticale analyse is het niet mogelijk om de werkwoordsvorm gebeurt correct te spellen. In de zin Als je naar een spookhuis gaat, weet je dat er sowieso iets engs gebeurt bestaat de kans dat spellers ervan uitgaan dat de werkwoordsvorm een voltooid deelwoord is, omdat voltooid deelwoorden in de regel aan het einde van een zin voorkomen en vaak beginnen met <ge->, en dat gebeurt dus gespeld wordt met een <d>. Een correcte grammaticale analyse laat echter zien dat we te maken hebben met een persoonsvorm tegenwoordige tijd. De kans dat een werkwoordsvorm goed gespeld wordt, is aanzienlijk groter als de grammaticale functie correct geïdentificeerd is (Chamalaun et al., 2021).

De rol van het geheugen

Als de spellingregels consequent goed toegepast zouden worden, zouden spelfouten ook bij homofone werkwoordsvormen niet voorkomen. Toch blijkt het in de praktijk knap lastig om de spellingregels goed toe te passen, vooral in situaties van cognitieve overbelasting (bijvoorbeeld Sandra et al., 1999). Zodra het werkgeheugen overbelast wordt, bijvoorbeeld tijdens het schrijven van een tekst of als onder tijdsdruk gewerkt wordt, nemen spellers hun toevlucht tot hun geheugen. Dit geheugen (ook wel mentale lexicon) bevat van veel werkwoorden vervoegingen, inclusief de uitspraak en de spelling (bijvoorbeeld Sandra, 2010). Als spellers de juiste vorm uit hun geheugen halen is er geen probleem, maar het ‘ophalen’ van de verkeerde vorm van een homofoonpaar leidt tot een spelling die weliswaar klopt met de uitspraak van een woord, maar niet met de functie (bijvoorbeeld hij *vind in plaats van hij vindt). Sandra en collega’s (2004) hebben dit effect ook vastgesteld bij beginnende spellers, in hun geval bij tienjarige Vlaamse leerlingen.

Het Referentiekader Taal en Rekenen

In het Referentiekader Taal en Rekenen (Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, 2008) staat beschreven welke eisen gesteld worden op het gebied van de werkwoordspelling. Ook wordt aangegeven welke grammaticale begrippen leerlingen moeten beheersen ten behoeve van de werkwoordspelling. Eind groep 8 zou 75 procent (de ambitie is 85 procent) van de leerlingen minimaal niveau 1F moeten hebben behaald en zoveel mogelijk leerlingen niveau 2F (streefniveau; de ambitie is 65 procent). De grammaticale begrippen dienen op niveau 1F beheerst te worden. Voor de verschillende categorieën werkwoordsvormen is aangegeven welke gevallen op 1F, 2F (einde onderbouw voortgezet onderwijs) of 3F (einde havo en mbo 4) beheerst moeten worden.

Homofone werkwoorden, zoals worden, hoeven pas op 2F beheerst te worden en homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel (zoals beoordelen en verbranden) zelfs pas op 3F. In het basisonderwijs wordt echter wel degelijk aandacht besteed aan deze werkwoorden. Het streefniveau is immers 2F. Het is dan ook mogelijk dat leerlingen homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel al goed kunnen spellen. Of nu de werkwoordsvorm fietst of vertelt gespeld moet worden, de regel is immers hetzelfde.

Onderzoeksvragen

In dit onderzoek wil ik twee vragen beantwoorden.

  1. In welke mate beschikken leerlingen aan het einde van de basisschool over voldoende grammaticale kennis om homofone werkwoordsvormen correct te spellen?

Leerlingen leren de grammaticale begrippen die nodig zijn om niet-homofone werkwoorden goed te spellen. Volgens het referentiekader zijn deze begrippen immers al nodig op niveau 1F. De vraag is echter of leerlingen over voldoende grammaticale kennis beschikken en of zij in staat zijn die grammaticale kennis in te zetten tijdens het spellen, ook als zij werkwoorden moeten vervoegen die ze volgens het referentiekader nog niet hoeven te beheersen. Om de werkwoordsvorm gespeeld en de homofone werkwoordsvorm bepaald te kunnen spellen, kan immers dezelfde regel gebruikt worden nadat is vastgesteld dat het om een voltooid deelwoord gaat.

  1. Spellen leerlingen een werkwoordsvorm vaker goed als ze ook een correcte grammaticale analyse hebben gemaakt?

Naast de mogelijkheid dat leerlingen gebruikmaken van een geheugenstrategie, zoals kiezen voor de meest frequente vorm, kunnen zij ook een verkeerde grammaticale analyse maken en als gevolg daarvan de vorm verkeerd spellen. Ten onrechte veronderstellen dat het werkwoord een persoonsvorm is (in plaats van een voltooid deelwoord) vergroot de kans dat de verkeerde spelling wordt gekozen.

Methode

Deelnemers

Aan het onderzoek deden 98 leerlingen mee uit groep 8 van zeven verschillende basisscholen verdeeld over het land. Van deze leerlingen hadden 77 het Nederlands als moedertaal en 21 een andere moedertaal; 13 van de 98 leerlingen hadden een dyslexieverklaring. De ene helft van de leerlingen (49) had vmbo als voorlopig schooladvies, de andere helft havo/vwo. Dit onderzoek is goedgekeurd door de Ethische Toetsingscommissie voor Geesteswetenschappen van de Radboud Universiteit. Ook de ouders van de leerlingen gaven toestemming.

Materialen en procedure

Voor deze studie werd gebruikgemaakt van een computertaak die gebaseerd is op een test van Chamalaun et al. (2021). Deze taak bestond uit een grammaticataak en een spellingtaak. De leerlingen kregen op de computer zinnen te lezen waarin het werkwoord ontbrak. De eerste opdracht was om de grammaticale functie van het te spellen werkwoord te benoemen. Zij konden kiezen uit zes mogelijkheden, te weten persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt), persoonsvorm verleden tijd (pvvt), voltooid deelwoord (vd), bijvoeglijk naamwoord (bn), infinitief (inf) en ‘weet niet’. Nadat ze verplicht een keuze hadden gemaakt, werd hun gevraagd het werkwoord daadwerkelijk te spellen. Hiertoe konden ze hun antwoord typen in een invulscherm. Ook nu waren zij verplicht een antwoord te geven om verder te kunnen. Op de plek van het te vervoegen werkwoord stonden liggende streepjes. Het hele werkwoord (de infinitief) stond tussen haakjes achter de plek waar de vorm ingevuld moest worden.

Het onderdeel van de test dat gebruikt is voor dit onderzoek bestond uit 36 zinnen met homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel. De helft van de zinnen had een persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud (herhaalt, verkent, bepaalt) en de andere helft het voltooid deelwoord (herhaald, verkend, bepaald). Een beschrijving van de volledige computertaak staat hier.

Het experiment werd uitgevoerd door studenten van de opleiding Pedagogische Wetenschappen van Primair Onderwijs (PWPO) van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Analyse

Centraal in de analyse stonden de mate waarin leerlingen de grammaticale functie van de werkwoordsvorm correct konden benoemen en de mate waarin zij deze vorm correct konden spellen. De antwoorden op de grammaticataak en de spellingtaak zijn statistisch geanalyseerd. Omdat eerder onderzoek heeft aangetoond dat leerlingen in het voortgezet onderwijs in de brugklas verschillen in grammaticale beheersing, is ook het voorlopig schooladvies meegenomen als variabele in de analyse (Chamalaun et al., 2021). Ook moedertaal en dyslexie zijn als variabelen aan de analyse toegevoegd. Bij de resultaten worden alleen significante effecten gerapporteerd.

Resultaten

Grammaticataak

De eerste vraag van dit onderzoek was in hoeverre leerlingen bekend zijn met de grammaticale functie van homofone werkwoorden. Daartoe werd een statistische analyse uitgevoerd op de antwoorden van de grammaticataak. Het statistische model voor de grammaticataak staat hier weergegeven.

Deze kennis is niet bijzonder groot. In slechts 38 procent van de gevallen wisten de leerlingen de grammaticale functie van het werkwoord correct te bepalen, waarbij de persoonsvorm vaker goed werd benoemd dan het voltooid deelwoord. Een werkwoordsvorm die vaker voorkomt in het alledaagse taalgebruik werd ook vaker correct benoemd. De persoonsvorm betekent en het voltooid deelwoord bekend komen vaker voor (zijn hoogfrequent) dan de persoonsvorm bepaalt en het voltooid deelwoord behoord (laagfrequent). Leerlingen in groep 8 zijn beter in staat om de grammaticale functie van hoogfrequente werkwoordsvormen correct te benoemen dan van laagfrequente.

De analyse van de grammaticataak liet ook een aantal interessante resultaten zien. Zoals verwacht scoorden leerlingen met vmbo als voorlopig schooladvies minder goed op de grammaticataak dan leerlingen met havo/vwo als voorlopig schooladvies. Leerlingen met havo/vwo als voorlopig schooladvies benoemden in 44 procent van de gevallen de grammaticale functie correct, terwijl leerlingen met vmbo als voorlopig schooladvies dit in 30 procent van de gevallen deden. Daarnaast viel op dat leerlingen met dyslexie het niet slechter deden op de grammaticataak dan leerlingen zonder dyslexie. Ook leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands deden het even goed als leerlingen met Nederlands als moedertaal.

Spellingtaak

De tweede vraag van dit onderzoek was in hoeverre leerlingen homofone werkwoorden correct spellen als ze de grammaticale functie van het werkwoord correct hadden. Daartoe werd een statistische analyse uitgevoerd op de antwoorden van de spellingtaak. Het statistische model voor de spellingtaak staat hier weergegeven.

Gemiddeld genomen werd 42 procent van de werkwoordsvormen correct gespeld. Leerlingen met havo/vwo als voorlopig schooladvies spelden werkwoordsvormen in 44 procent van de gevallen correct, terwijl leerlingen met vmbo als voorlopig schooladvies dat in 31 procent van de gevallen deden. Leerlingen die een correcte grammaticale analyse hadden gemaakt, spelden het werkwoord ook significant vaker correct (23%) dan leerlingen die de grammaticale functie niet goed hadden benoemd (19%). In Tabel 1 staat de kans dat leerlingen een woord grammaticaal goed hadden geanalyseerd en het werkwoord ook goed hadden gespeld.

Tabel 1. Grammatica- en spellingscores in percentages

De leerlingen bleken minder spelfouten te maken in veelvoorkomende persoonsvormen, zoals betekent, dan in veelvoorkomende voltooid deelwoorden, zoals bepaald. Ook werd een veelvoorkomende persoonsvorm als verdient vaker goed gespeld dan een minder veelvoorkomend voltooid deelwoord als verdeeld.

Uit een vervolganalyse bleek iets anders interessants. Ik gebruik een voorbeeld om dit te illustreren. In de zin De dokter is degene die uiteindelijk _____ (bepalen) of deze speler weer mag voetballen, is bepaalt een persoonsvorm en dat moet dus met een <t> geschreven worden. Als leerlingen echter dachten dat het een voltooid deelwoord was, schreven ze het woord in 35 procent van de gevallen met een <d>, zoals het ook zou moeten als het inderdaad een voltooid deelwoord was. Ze pasten de spellingregel dus wel goed toe, maar op een foute grammaticale analyse. Als leerlingen terecht dachten dat het een persoonsvorm was en ze dus een juiste grammaticale analyse hadden gemaakt, pasten ze soms toch de verkeerde spellingregel toe. Ze schreven dan in 27 procent van de gevallen een <d> (ze pasten dus de regel voor het voltooid deelwoord toe), terwijl ze een <t> hadden moeten schrijven.

Ook bleek dat kinderen minder fouten in voltooid deelwoorden van werkwoorden maakten dan in persoonsvormen als de stam van het werkwoord niet op een <d> eindigt. Een voltooid deelwoord als geloofd (de stam van geloven eindigt niet op een <d>) werd vaker correct gespeld dan beantwoord (de stam van beantwoorden eindigt wel op een <d>).

Dyslectische leerlingen en leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands maakten bovendien significant meer spelfouten. Er was geen significant effect van het voorlopig schooladvies. Wel bleek uit de vervolganalyses een opvallend patroon in de verdeling van dyslexie, moedertaal en schooladvies. Van de 13 leerlingen met een dyslexieverklaring heeft slechts één leerling een andere moedertaal dan het Nederlands. Wat betreft de voorlopige schooladviezen viel op dat van de kinderen met het Nederlands als moedertaal 53 procent een voorlopig schooladvies van havo of hoger kreeg, terwijl dit bij de kinderen met een andere moedertaal 38 procent was.

Conclusie

Volgens het Referentiekader Taal en Rekenen zouden leerlingen aan het einde van de basisschool de grammaticale begrippen moeten beheersen die nodig zijn om werkwoorden correct te kunnen spellen. In dit artikel is dit onderzocht voor werkwoorden die zij strikt genomen nog niet hoeven te kunnen spellen, namelijk homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel (zoals herkennen). Er stonden twee vragen centraal. De eerste vraag was of leerlingen aan het einde van de basisschool over voldoende grammaticale kennis beschikken om homofone werkwoordsvormen correct te spellen. De tweede vraag was of leerlingen een werkwoordsvorm vaker goed spellen als ze ook een correcte grammaticale analyse hebben gemaakt. In het onderzoek in dit artikel is gekeken naar het homofoonpaar dat gevormd wordt door de persoonsvorm tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord.

Een eerste opvallend resultaat is dat een deel van de homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel correct gespeld werd, ondanks het feit dat leerlingen dit type werkwoorden nog niet hoeven te kunnen spellen. Weliswaar zijn de percentages correct gespelde werkwoordsvormen aan de lage kant, maar het is op zijn minst opmerkelijk dat van werkwoorden die volgens het referentiekader pas op 3F beheerst hoeven te worden toch een deel correct gespeld werd.

In de resultaten valt op dat vooral werkwoorden waarvan de stam op een <d> eindigt meer spelmoeilijkheden opleverden dan werkwoorden waarvan de stam niet op een <d> eindigt. Met andere woorden, een werkwoord als vertellen is aanzienlijk makkelijker dan een werkwoord als beantwoorden. Dit is opvallend aangezien homofone werkwoorden waarvan de stam op <d> eindigt in het referentiekader op 2F ingedeeld worden, terwijl homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel op 3F beheerst moeten worden. Hier wringt het referentiekader enigszins. Homofone werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel zijn dus niet per definitie ‘te hoog gegrepen’ voor leerlingen in groep 8. Het is dan ook goed dat het referentiekader opnieuw tegen het licht wordt gehouden.

Belangrijker nog is de bevinding dat het correct benoemen van de grammaticale functie van de werkwoordsvorm inderdaad leidde tot een grotere kans dat de werkwoordsvorm ook correct gespeld werd. Dit resultaat sluit aan bij eerder onderzoek (Chamalaun et al., 2021; Chamalaun et al., 2022; Chamalaun & Ernestus, 2023). Grammaticaonderwijs is met andere woorden van niet te onderschatten belang. Aanvullend bewijs zien we in de bevinding dat het niet correct benoemen van de grammaticale functie van de werkwoordsvorm vaker leidde tot het spellen van de homofone tegenhanger van de correcte spelling.

Voor zowel de grammaticataak als de spellingtaak werden werkwoorden die frequenter voorkomen vaker correct benoemd en gespeld. Dit is in lijn met eerder onderzoek (bijvoorbeeld Assink, 1985; Frisson & Sandra, 2002; Sandra et al., 1999, 2004). In de grammaticataak werd de persoonsvorm vaker correct benoemd dan het voltooid deelwoord, waarbij het niet uitmaakte of het werkwoord een veelvoorkomend werkwoord is. Voor het spellen van deze werkwoordsvormen maakte dat wel uit. Bij veelvoorkomende werkwoorden werden minder fouten gemaakt in het spellen van de persoonsvorm dan in het spellen van het voltooid deelwoord. Kortom, het voltooid deelwoord lijkt voor leerlingen lastiger in die zin dat het benoemen en het spellen van de persoonsvorm vaker goed ging dan het benoemen en spellen van het voltooid deelwoord.

Zoals verwacht verschillen leerlingen in hun grammaticale kennis. Leerlingen met vmbo als voorlopig schooladvies hadden meer moeite met het goed benoemen van de grammaticale functie van de werkwoordsvorm dan leerlingen met havo/vwo als voorlopig schooladvies. De verschillen in grammaticale beheersing tussen de schooltypen sluiten aan bij eerder onderzoek (Chamalaun et al., 2021). Dit is verklaarbaar aangezien het maken van een goede grammaticale analyse een behoorlijk abstractievermogen vraagt.

Tot slot lieten de resultaten zien dat het voor het benoemen van de grammaticale functie van de werkwoordsvorm niet uitmaakt of leerlingen dyslexie hebben of een andere moedertaal hebben. Voor het spellen van de werkwoordsvormen lag dit echter anders. Leerlingen met dyslexie en een andere moedertaal maakten meer spelfouten. Hoewel op basis van de data geen harde conclusies zijn te trekken over de relatie tussen dyslexie en moedertaal, is opvallend dat van de leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands slechts één leerling over een dyslexieverklaring beschikte. Het is met andere woorden niet uit te sluiten dat de lagere scores op spelling bij leerlingen met een andere moedertaal zijn toe te schrijven aan dyslexie in plaats van moedertaal. Uit onderzoek blijkt ook dat de kans dat een leerling met een migratieachtergrond een dyslexieverklaring krijgt heel veel kleiner is dan een leerling zonder (Inspectie van het Onderwijs, 2019).

Een ander opvallend resultaat is de scheve verdeling in voorlopige schooladviezen. Uiteraard is het voorlopig schooladvies op meer gegevens gebaseerd dan alleen de scores op grammatica en spelling. Het valt echter op dat een substantieel groter deel van de leerlingen met het Nederlands als moedertaal een voorlopig schooladvies van havo of hoger krijgt. Op basis van de data is niet vast te stellen of de voorlopige schooladviezen passend zijn. Het is mogelijk dat er sprake is van onderadvisering zoals ook de Inspectie van het Onderwijs heeft vastgesteld (Inspectie van het Onderwijs, 2018).

Conclusie en aanbevelingen

Uit de resultaten blijkt het grote belang van grammaticale kennis. Leerkrachten doen er verstandig aan in hun spellingonderwijs ruim aandacht te besteden aan de grammaticale functie van de werkwoordsvorm. Leerlingen die de grammaticale functie correct kunnen benoemen, hebben ook een grotere kans de werkwoordsvorm correct te kunnen spellen. Dit betekent wel dat leerlingen de regel correct moeten kunnen toepassen. Leerlingen pikken de regels niet vanzelf op, dus expliciete instructie is noodzakelijk. Het is aan te bevelen om te starten met homofone werkwoorden waarvan de stam niet eindigt op een <d>.  Zodra deze werkwoorden in ruime mate beheerst worden, kan de vervolgstap gezet worden naar andere homofone werkwoorden.

Naar boven ↑

Referenties

Assink, E. M. H. (1985). Assessing spelling strategies for the orthography of Dutch verbs. British Journal of Psychology, 76(3), 353–363. https://doi.org/10.1111/j.2044-8295.1985.tb01958.x

Bakker-Peters, M. W. J. E., Zuidema, J. J., Bosman, A. M. T., & Neijt, A. (2017). De verenigbaarheid van didactische middelen en taalkundige spellinglogica bij Nederlandse werkwoorden. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 39, 31–62. https://doi.org/10.5117/TVT2017.1.BAKK

Bates, D., Mächler, M., Bolker, B. M., & Walker, S. C. (2015). Fitting linear mixed-effects models using lme4. Journal of Statistical Software, 67(1), 1–48. https://doi.org/10.18637/jss.v067.i01

Bosman, A. M. T. (2005). Development of rule-based verb spelling in Dutch students. Written Language & Literacy, 8(1), 1–18. https://doi.org/10.1075/wll.8.1.01bos

Chamalaun, R. J. P. M., & Bosman, A. M. T. (2023). Werkwoordspelling: spelfouten verklaard (deel 2). Handboek Didactiek Nederlands Levende Talen. https://didactieknederlands.nl/handboek/2023/07/werkwoordspelling-spelfouten-verklaard-deel-2

Chamalaun, R. J. P. M., & Ernestus, M. T. C. (2023). De rol van grammatica bij werkwoordspelling. Levende Talen Tijdschrift, 24(3), 3–16. https://lt-tijdschriften.nl/ojs/index.php/ltt/article/view/2351

Chamalaun, R. J. P. M., Bosman, A. M. T., & Ernestus, M. T. C. (2021). The role of grammar in spelling homophonous regular verbs. Written Language & Literacy, 24(1), 38–80. https://doi.org/10.1075/wll.00047.cha

Chamalaun, R. J. P. M., Bosman, A. M. T., & Ernestus, M. T. C. (2022). Teaching verb spelling through explicit direct instruction. L1-Educational Studies in Language and Literature, 22(1), 1–29. https://doi.org/10.21248/l1esll.2022.22.1.379

Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen. (2008). Over de drempels met taal. SLO.  https://www.slo.nl/@4230/drempels-taal/

Fox, J., & Weisberg, S. (2011). An R companion to applied regression (2nd ed.). Sage.

Frisson, S., & Sandra, D. (2002). Homophonic forms of regularly inflected verbs have their own orthographic representations: A developmental perspective on spelling errors. Brain and Language, 18(1–3), 545–554. https://doi.org/10.1006/brln.2001.2546

Inspectie van het Onderwijs. (2018). Technische rapportage onderwijskansen en segregatie. De staat van het onderwijs 2016/2017. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. https://www.onderwijsconsument.nl/wp-content/uploads/108126_IvhO_StaatvanhetOnderwijs_Hfst1_TG.pdf

Inspectie van het Onderwijs. (2019). Dyslexieverklaringen. Verschillen tussen scholen nader bekeken. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.  https://dyslexiecentraal.nl/sites/default/files/media/document/2019-08/2019_IvhO_Dysverklaringen_Verschillen%20tussen%20scholen%20nader%20bekeken_0.pdf

Keuleers, E., Brysbaert, M., & New, B. (2010). SUBTLEX-NL: A new frequency measure for Dutch words based on film subtitles. Behavior Research Methods, 42(3), 643–650. https://doi.org/10.3758/BRM.42.3.643

R Core Team. (2024). R: A language and environment for statistical computing (Version 4.1.2). R Foundation for Statistical Computing. http://www.R-project.org

Sandra, D. (2010). Homophone dominance at the whole-word and sub-word levels: Spelling errors suggest full-form storage of regularly inflected verb forms. Language and Speech, 53(3), 405–444. https://doi.org/10.1177/0023830910371459

Sandra, D., Frisson, S., & Daems, F. (1999). Why simple verb forms can be so difficult to spell: The influence of homophone frequency and distance in Dutch. Brain and Language, 68(1–2), 277–283. https://doi.org/10.1006/brln.1999.2108

Sandra, D., Frisson, S., & Daems, F. (2004). Still errors after all those years…: Limited attentional resources and homophone frequency account for spelling errors on silent verb suffixes in Dutch. Written Language & Literacy, 7(1), 61–77. https://doi.org/10.1075/wll.7.1.07san

Van Casteren, M., & Davis, M. H. (2006). Mix, a program for pseudorandomization. Behavior Research Methods, 38(4), 584–589. https://doi.org/10.3758/BF03193889