Samenvatting
De Friese Provinciale Staten verplichten alle Friese basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs Friese les te geven, en alle kinderen op die scholen Friese les te volgen. Dit terwijl nog geen kwart van die kinderen thuis Fries spreekt. Taalimperialisme? Waar komt dat toch vandaan? Is het aan de kinderen gevraagd? De ouders, leraren, schoolleiders, besturen? Heeft het überhaupt kans van slagen? Van wie is de school eigenlijk? In deze bijdrage wordt door middel van een diepgaande literatuurstudie geprobeerd meer duidelijkheid te krijgen over de achtergronden van dit ingrijpende plan.
Artikel: 2026-06. Publicatiedatum: 3 juni 2026.
APA: Driesen, Geert (2026). Verplicht Fries op school: ‘In goed idee?’ De Onderwijzer, Artikel 2026-06. https://deonderwijzer.com/2026-06/
Inleiding
Onlangs hebben de Provinciale Staten van Fryslân (2026) verordonneerd dat alle Friese kinderen Fries moeten leren. De vraag is welke theoretische onderbouwing daaraan ten grondslag ligt, hoe realistisch en haalbaar het is, en of er rekening is gehouden met de positie van alle ouders en kinderen.
Tien jaar geleden gaf ik in Leeuwarden een lezing over ontwikkelingen in het gebruik van het Fries (Driessen, 2016). Ik deed dat op basis van een grootschalige dataset verzameld in 1994 en 2014 bij in Nederland geboren ouders van kinderen in groep 3 van het basisonderwijs. Twee vragen luidden: Welke taal spreken de ouders het meeste met elkaar? Welke taal spreekt het kind het meeste met: (a) moeder; (b) vader; (c) broertjes/zusjes; (d) vriendjes/vriendinnetjes? Voor beide vragen waren de antwoordmogelijkheden: (1) Nederlands; (2) Fries, streektaal of dialect. Het percentage kinderen dat het meest Fries sprak was in 2014 als volgt: met moeder 33 procent, met vader 34 procent, met broertjes/zusjes 30 procent en met vriendjes/vriendinnetjes 22 procent. Dat was fors minder dan in 1994, toen het respectievelijk nog om 47, 49, 48 en 44 procent ging. Tekenend voor deze neerwaartse ontwikkeling was de halvering van het aandeel kinderen dat Fries met vriendjes/vriendinnetjes sprak. Onderling sprak in 2014 nog 35 procent van de ouders Fries, tegen 58 procent in 1994. Daarbij spraken veel minder ouders met een hbo- of wo-opleiding Fries dan die met een lagere opleiding. Conclusie: het gaat echt niet goed met het Fries.
Mijn boodschap werd door de aanwezigen (voornamelijk ‘diep-Friezen’; Lundgren, 2016) en later in de Friese media (kranten, radio, tv) allesbehalve goed ontvangen – eufemistisch uitgedrukt. Dit kon niet waar zijn! Verschillende toehoorders kwamen met (anekdotisch) bewijs dat er echt nog veel Friezen Fries spraken. De Provinciale Staten van Friesland togen met mijn bevindingen naar de minister en ontvingen in het kader van bestuursafspraken subsidies om te werken aan de bescherming en bevordering van de Friese taal en cultuur; de laatste keer ging het om 18 miljoen euro (Provincje Fryslân, 2024).
Taalpeilingen
Hoe staat het Fries er nu voor? Recentelijk heeft de Fryske Akademy (Dekker et al., 2025; Planbureau Friesland, 2026) een online-taalpeiling uitgevoerd onder Friezen van 18 jaar en ouder. Hun is gevraagd: Welke taal heeft u als kind het allereerst leren spreken? Deze vraag is een heel andere dan die uit mijn onderzoek; ze zegt immers niets over de duur en frequentie van het taalgebruik. De onderzoekers rapporteerden dat voor 53 procent van de volwassen respondenten Fries de eerste taal was geweest. Op het platteland was dat vaker het geval dan in de stad, voor ouderen vaker dan voor jongeren, en voor laag- en middelbaar opgeleiden vaker dan voor hogeropgeleiden. Ook is gevraagd: Tot welke groep sprekers rekent u zichzelf? Slechts 24 procent van de volwassenen rekende zich tot het Fries, 34 procent tot het Nederlands, en 31 procent tot beide. Opmerkelijk is dat slechts 42 procent van de respondenten met Fries als moedertaal zich eenduidig met het Fries identificeerde; dat is slechts 10 procent van het totaal aantal respondenten.
De Friese taalpeiling zegt dus eigenlijk niets over het daadwerkelijk gebruik van het Fries. Schmeets en Cornips (2021) doken op basis van representatieve data uit 2021 dieper in het gebruik van talen en dialecten onder de groep van 15 jaar en ouder. De vraag luidde: Welke taal of dialect wordt bij u thuis het meest gesproken? De respondenten konden daarbij kiezen uit een lange lijst met talen en dialecten. Van de Friezen zegt 40 procent het meest in het Fries te spreken. Er zijn daarbij geen verschillen tussen mannen en vrouwen, en ook zijn er nauwelijks verschillen gerelateerd aan de samenstelling van het huishouden; opvallend is wel dat in gezinnen met kinderen het minst Fries wordt gesproken. (Mogelijk vinden die ouders het Nederlands voor de toekomst van hun kinderen toch belangrijker dan het Fries.) Met uitzondering van de hoogst opgeleiden, die in het algemeen weinig Fries spreken, bestaat er onder de overige respondenten geen duidelijke lijn in het spreken van het Fries. Het meest wordt Fries gesproken onder de groep 65-plussers.
Theorie
Een argument dat vaak wordt opgevoerd voor Friese les is dat een goede beheersing van de eerste taal (i.c. het Fries) de beheersing van de tweede taal (i.c. het Nederlands) bevordert. Die these werd vanaf de jaren ’70 ontwikkeld door Cummins (1979). Hij stelde dat de beheersing van een tweede taal een functie is van de eerste taal. Voorwaarde is dan echter wel dat eerst een bepaald niveau in de eerste taal bereikt dient te zijn, voordat dat een positief effect kan hebben op de verwerving van de tweede taal. Later nuanceerde hij dit nog verder: beide talen dienen een hoge status te hebben en volop in gebruik te zijn in de omgeving van de taalleerder.
In de loop der jaren is er veel kritiek op deze thesen gekomen en is dit gedachtengoed dan ook naar de achtergrond verdwenen. Dat gebeurde ten eerste omdat Cummins’ ideeën ontwikkeld zijn vanuit zijn onderzoek in Canada: een officieel tweetalig land (Engels en Frans), waar de meeste inwoners beide talen spreken en ze ook allebei een hoge status hebben. Deze situatie is volstrekt onvergelijkbaar met bijvoorbeeld die van het Turks, Berber of Fries in Nederland. Ten tweede klinken de thesen misschien logisch, maar konden ze empirisch niet adequaat worden onderzocht en al helemaal niet worden bevestigd. Ten derde bleek de vertaling van de thesen naar de dagelijkse onderwijspraktijk niet zo eenvoudig (dan wel onuitvoerbaar), zeker in klassen met meerdere (minderheidstalen), niet ter zake opgeleide leraren en de afwezigheid van geschikt lesmateriaal.
Tegenwoordig wordt er regelmatig verwezen naar ‘translanguaging’, meer een concept dan theorie. Uitgegaan wordt van het idee (kort gezegd) dat alle talen gelijkwaardig en waardevol zijn, en dat taaldiversiteit als kracht moet worden gezien. Taalgebruikers schakelen tussen de talen die ze spreken, afgestemd op de context en gebruikmakend van hun eerder opgedane taalkennis, om zo nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Het gaat daarbij niet alleen om taalbeheersing, maar ook om de verbondenheid met de culturele achtergrond. In Nederland is er echter nauwelijks onderzoek beschikbaar dat laat zien hoe het precies werkt en wat het oplevert (Moraru et al., 2025). Voor zover er onderzoek is verricht, betreft het buitenlands onderzoek (veelal uit Azië en het Midden-Oosten) van zwakke methodologische kwaliteit, dan wel onderzoek dat geen verschillen liet zien met de gangbare eentalige onderdompelingspraktijk óf onderzoek waaruit een positief effect van translanguaging bleek, maar alleen in zeer specifieke situaties (Huang & Chalmers, 2023). Bovendien betreft het vrijwel altijd onderzoek onder meertalige taalleerders met een migratieachtergrond. Bewijs voor een positieve transfer van het Fries naar het Nederlands ontbreekt dan ook ten enenmale.
Recentelijk heeft de Onderwijsraad (2025) een advies uitgebracht, waarin zij pleit voor het meer en beter gebruikmaken van talige diversiteit in de school, daarbij aanhakend bij zowel het translanguaging-concept als de thesen van Cummins. Volgens de Onderwijsraad wordt deze diversiteit in de praktijk vaak genegeerd of zelfs gezien als een belemmering. Daardoor zouden kansen onbenut blijven bij het leren van het Nederlands en bij het opdoen van kennis en vaardigheden in andere vakken. De Onderwijsraad acht het niet nodig dat leraren die andere talen ook zelf beheersen. Zij dienen in te spelen op en gebruik te maken van het aanwezige taalrepertoire van hun leerlingen. Vertrekpunt is dat bij het leren van een nieuwe taal een eerder geleerde taal nuttig kan zijn. Leerlingen kunnen zo hun thuistaal gebruiken om sneller en beter Nederlands te leren. Ook kan het positieve gevolgen hebben voor het welbevinden van leerlingen en hun betrokkenheid bij het onderwijs. Meer aandacht voor talige diversiteit is volgens de Onderwijsraad tevens van belang voor het gevoel van verbondenheid van leerlingen en het functioneren in de samenleving. Een en ander vergt wel een investering in onder meer de opleiding, professionalisering en ondersteuning van het onderwijspersoneel. De veronderstelde positieve transfer wordt herhaaldelijk benadrukt. Maar de Onderwijsraad verwijst louter naar enkele buitenlandse studies en kan geen enkel bewijs aandragen voor het Fries (of andere minderheidstalen).
Breetvelt (2025) oefent stevige kritiek uit op het advies van de Onderwijsraad. Volgens haar is het problematisch dat een kwart van de leerlingen niet het standaard-Nederlands als thuistaal heeft. Die leerlingen beheersen het Nederlands als onderwijstaal onvoldoende en leveren daardoor lagere schoolprestaties. Vaak zijn het ook nog eens kinderen van laagopgeleide ouders. Juist dan is het volgens Breetvelt noodzakelijk extra inspanningen te leveren om die leerlingen te ondersteunen bij het verwerven van het Nederlands, met name wat betreft de basisvaardigheden. Om dan streektalen en dialecten in te zetten voor het leren van het Nederlands en die daarbij gelijk te stellen aan buitenlandse talen (ook al kan er ontegenzeglijk een grote taalafstand bestaan tussen dialect en standaard-Nederlands), acht zij een merkwaardige (onderwijspolitieke) zet. Op die manier worden namelijk niet alleen degenen van buitenlandse herkomst aangemerkt als meertaligen, maar ook Nederlanders met een streektaal of dialect voor wie standaard-Nederlands eigenlijk een vreemde taal is. Hierdoor wordt de populatie leerlingen voor wie de meertaligheidsdidactiek geldt stevig uitgebreid. De oproep van de Onderwijsraad om talige diversiteit te benutten, betekent voor leraren dus (nog) meer werkdruk, zo stelt Breetvelt. Bovendien zou onderzoek erop wijzen dat de benutting van thuistalen 20 procent van de onderwijstijd kost en de uitvoerbaarheid ervan nog lastiger wordt naarmate er meerdere en afwijkende taalgroepen in een klas zitten.
Ook acht Breetvelt het opmerkelijk dat beweerd wordt dat leraren de thuistalen niet hoeven te beheersen: dan begrijpen zij niet wat de leerlingen zeggen en is het uitleggen en geven van feedback in de thuistaal onmogelijk. Volgens haar ontbreekt het in het advies verder aan aandacht voor de van huis uit Nederlandssprekende leerlingen, rond de driekwart van alle leerlingen. Zij zouden minder aandacht krijgen en verveeld en gedemotiveerd raken; talige diversiteit benutten is voor hen immers geen doelmatig bestede onderwijstijd. Deze meerderheid van de leerlingen wordt dus naar de marge gemanoeuvreerd. Bij dit alles geldt dat sterk empirisch bewijs voor het benutten van talige diversiteit in het onderwijs ontbreekt, zeker rondom de inzet van streektalen en dialecten. Breetvelt kwalificeert het advies van de Onderwijsraad om talige diversiteit beter te benutten dan ook eerder als een kwestie van ideologie dan van evidentie.
Praktijk
In Friesland is Friese les in het basisonderwijs sinds 1980 wettelijk verplicht, al kan er dispensatie worden aangevraagd. Uit Dekker et al. (2025) kan worden afgeleid dat ruim een kwart van de 18- tot 50-jarigen aangeeft nooit Friese les te hebben gehad, terwijl circa een derde zegt dat zij die elke week kregen. Hierbij bestaat een groot verschil tussen stad en platteland: plattelanders kregen het veel vaker. Volgens Varkevisser, Visser en Walsweer (2023) en Varkevisser, Visser, Walsweer en Sjoerdstra (2023) (vgl. Riemersma, 2025) werd er in de periode 2020-2022 op 78 procent van de Friese basisscholen Fries als vak gegeven; in 2016-2018 was dat nog 83 procent. In tegenstelling tot wat verwacht zou worden, wordt dus niet op alle basisscholen Fries gegeven en wordt het ook lang niet door alle leerlingen gevolgd.
Van alle leraren in het basisonderwijs was 17 procent bevoegd om Fries te geven, waarvan 89 procent het ook daadwerkelijk gaf; 25 procent van alle leraren in het basisonderwijs had echter geen bevoegdheid. De tijd besteed aan de lessen was vrij beperkt: 20 procent van de scholen gaf gedurende de eerste twee jaar 45 minuten of meer les per week en in de hogere leerjaren was dat nog slechts 10 procent. Ongeveer 20 procent van de scholen gaf hooguit 15 minuten Fries per week.
Het aandeel bevoegde leraren in het basisonderwijs is daarmee beperkt, evenals (en mogelijk daarmee samenhangend) de aan de Friese les bestede tijd.
De houding van de basisscholen ten aanzien van de Friese les is bovendien minder positief geworden volgens de onderzoeken van Varkevisser en collega’s; in 2016-2018 vond nog 76 procent van de scholen dit onderwijs (zeer) belangrijk, in 2020-2022 was dat 72 procent. Het aandeel schoolleiders en taalcoördinatoren dat (zeer) positieve attitudes had jegens het Fries als instructietaal daalde dramatisch, van 38 naar slechts 18 procent. Niet meer dan 22 procent van de scholen was van oordeel dat hun leerlingen het Fries (zeer) belangrijk vonden, tegen 41 procent in 2016-2018. Ook de schoolbesturen hebben negatievere attitudes ten aanzien van de Friese les. Zij vinden die moeilijk te combineren met de onderwijskundige behoeften van de leerlingen, de visie van de school en de taalkundige achtergrond van Friese leerlingen met een van het Algemeen Standaard Fries afwijkende variant. Een probleem is ook dat de leerlingen met Fries als thuistaal de Friese lessen tegelijk volgen met de leerlingen met Fries als vreemde taal en ook hetzelfde lesmateriaal gebruiken. Er wordt daarbij overigens wel gedifferentieerd naar te behalen beheersingsniveau.
Basisscholen staan dus niet echt positief tegenover de Friese les, niet alleen vanwege organisatorische, maar ook om inhoudelijke redenen.
In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is Fries sinds 1993 verplicht, maar er bestaat geen duidelijk beleidsplan voor alle scholen met betrekking tot Fries als vak en als instructietaal. Iets meer dan 69 procent van die scholen verzorgt Fries als vak in het eerste leerjaar, maar slechts 18 procent van de scholen geeft het in zowel het eerste als tweede leerjaar. Voor 2020-2022 werd geschat dat 39 procent van de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs Fries als eerste taal hebben, tegen 52 procent Nederlands en 9 procent een andere taal. Vanaf 1974 kan het Fries in de bovenbouw als examenvak worden gevolgd; in 2026 deden 200 leerlingen dat (van de in totaal bijna 18.000 leerlingen in de leerjaren 3-6) en was de mogelijkheid er op 29 procent van de scholen. Als redenen voor het niet aanbieden van Fries als examenvak geven de scholen aan dat de leerlingen weinig interesse hebben, dat er onvoldoende gekwalificeerde leraren zijn, en dat er problemen zijn bij het invoegen van het Fries in het lesprogramma.
Ook de resultaten zijn niet geweldig. In 2023 legden 176 leerlingen het eindexamen Fries af, met een 6,3 als gemiddeld cijfer en 15 procent onvoldoendes. Dat is evident zeer teleurstellend, aangezien die kinderen dus waarschijnlijk Fries als thuistaal hebben en in zowel het basis- als voortgezet onderwijs al jaren Friese les hebben gehad.
Net als in het basisonderwijs is het Fries in het voortgezet onderwijs dus niet erg populair, niet onder de scholen en evenmin onder de leerlingen. Bovendien vallen de resultaten tegen.
Kwaliteit
De Inspectie van het Onderwijs (2019) voerde in het schooljaar 2018/2019 een themaonderzoek uit naar de stand van zaken van het Fries in het basis- en voortgezet onderwijs. De resultaten waren wederom niet echt positief en hoopgevend – tien jaar eerder bleek dat ook al niet het geval te zijn. Sinds toen is er extra aandacht gekomen voor het vak Fries en zijn de voorwaarden verbeterd. Er is bijvoorbeeld lesmateriaal ontwikkeld en er zijn toetsen gemaakt om de taalontwikkeling van leerlingen te meten. Volgens de inspectie hebben de leraren daar nog onvoldoende gebruik van gemaakt.
De inspectie ziet bij schoolbesturen vaak een gebrek aan sturing en op provinciaal en lokaal niveau weinig draagvlak en ambitie. Er zijn in het basisonderwijs te weinig bevoegde en bekwame leraren Fries. Een probleem vormen ook de vele tijdelijke ontheffingen voor kerndoelen die de Provincie Fryslân aan scholen heeft gegeven. Het doel van zo’n ontheffing is dat een school beter kan aansluiten bij de taalbeheersing van de doorsnee leerling. Dit heeft echter vaak tot gevolg dat het ambitieniveau laag blijft. Een punt voor het voortgezet onderwijs is dat Fries vaak een klein vak is, er maar één leraar Fries op school is en het voor de school duur is. Leerlingen zelf geven weliswaar aan dat zij het vak Fries belangrijk vinden, maar het grootste deel van hen vindt niet dat de Friese lessen die zij krijgen hun taalvaardigheid verbetert. Bovendien zegt meer dan de helft van hen de lessen Fries niet leuk en leerzaam te vinden.
Conclusie
Eerder dit jaar besloten de Provinciale Staten van Fryslân (2026) unaniem dat alle Friese kinderen per 2026 Fries moeten leren, met als doelen: het gebruiken van het Fries en het bewust deelnemen aan de Friese cultuur. Scholen zullen geen ontheffing meer krijgen. Per 2030 dienen alle scholen een A-profiel te hebben, dat wil zeggen het hoogste niveau; het betreft zowel verstaan, spreken, lezen als schrijven. De vraag is echter of dat plan wel aan een aantal cruciale voorwaarden voldoet.
Heeft het Fries een hoge status? In sommige kringen wel, maar slechts een klein deel identificeert er zich eenduidig mee.
Is er voldoende animo? Wel bij de provinciale bestuurders, maar gelet op de geringe aantallen leerlingen die Fries als examenvak volgen onder hen duidelijk niet. Bovendien vindt ruim de helft van de leerlingen de lessen niet leuk en leerzaam.
Is het onderwijs effectief? Dat is, gelet op de taalvaardigheid en examenresultaten, maar zeer de vraag.
Zijn er voldoende leraren? Zeker niet.
Is de Friese taalvaardigheid van een dusdanig niveau dat er sprake zou kunnen zijn van transfer? Dat lijkt er niet echt op.
Wordt voldaan aan de centrale voorwaarde dat Fries de thuistaal van de kinderen is? Absoluut niet. Voor zo’n twee derde van de kinderen is Fries niet de (huidige) thuistaal, waardoor er voor de meerderheid per definitie geen sprake kan zijn van transfer. Al die kinderen moeten dus gewoon nóg een vreemde taal leren.
Is de ouders en kinderen naar hun mening gevraagd? Nee, hun wordt gewoon een extra vak opgedrongen, waardoor kostbare onderwijstijd verloren gaat.
Naar analogie van Breetvelt (2025) is de verplichting voor alle kinderen in Friesland om Fries te leren eerder een kwestie van ideologie dan van realisme, haalbaarheid en evidentie.
Referenties
Breetvelt, I. (2025, 14 november). Politiek correct advies Onderwijsraad draagt niet bewezen bij aan bevordering taalvaardigheid Nederlands. Didactiek Nederlands. Geraadpleegd op 30 april 2026, van https://didactieknederlands.nl/2025/11/politiek-correct-advies-onderwijsraad-draagt-niet-bewezen-bij-aan-bevordering-taalvaardigheid-nederlands/
Cummins, J. (1979). Linguistic interdependence and the educational development of bilingual children. Review of Educational Research, 49(2), 222–251. https://doi.org/10.3102/00346543049002222
Dekker, S., Stefan, M., Van Seijen, F., Dijkstra, J., Heeringa, W., La Roï, C., & Kircher, R. (2025). Taal yn Fryslân: In nije koers. Fryske Akademy. https://www.fryske-akademy.nl/fileadmin/inhoud/undersyk/projekten/FA_Taalsurvey_1025__def_.pdf
Huang, X., & Chalmers, H. (2023). Implementation and effects of pedagogical translanguaging in EFL classrooms: A systematic review. Languages, 8(3), 194. https://doi.org/10.3390/languages8030194
Inspectie van het Onderwijs. (2019). Sizzen is neat, mar dwaan is in ding: Fries in het primair en voortgezet onderwijs. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.eerstekamer.nl/overig/20191206/sizzen_is_neat_mar_dwaan_is_in/document
Lundgren, A. (2016). Het Fries in (de provinciale staten van) Friesland eeuh Fryslân. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://anderslundgrenblog.wordpress.com/2016/09/23/het-fries-in-de-provinciale-staten-van-friesland-eeuh-fryslan/
Moraru, M., Bakker, A., Akkerman, S., Zenger, L., Smit, J., & Blom, E. (2025). Translanguaging within and across learning settings: A systematic review focused on multilingual children with a migration background engaged in content learning. Review of Education, 13(2), e70069. https://doi.org/10.1002/rev3.70069
Onderwijsraad. (2025). Talige diversiteit benutten. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2025/09/04/talige-diversiteit-benutten
Planbureau Friesland. (2026). Verantwoording Monitor Friese taal en identiteit. Planbureau Friesland. https://planbureau.frl/wp-content/uploads/2026/03/20260312-Verantwoording-monitor-Friese-taal-en-identiteit.pdf
Provinciale Staten van Fryslân. (2026). Verordening kerndoelen Friese taal en cultuur 2026. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2026-9400/1/bijlage/exb-2026-9400.pdf
Provincje Fryslân. (2026). Bestjoersôfspraak Fryske taal & kultuer. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.fryslan.frl/bftk
Riemersma, A. (2024). The Frisian language in education in the Netherlands. Fryske Akademy. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.mercator-research.eu/regional-dossiers/frisian-netherlands/
Schmeets, H., & Cornips, L. (2021, 16 juli). Talen en dialecten in Nederland: Wat spreken we thuis en wat schrijven we op sociale media. CBS. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/talen-en-dialecten-in-nederland
Varkevisser, N., Visser, F., & Walsweer, A. (2023). It is mei sizzen net te dwaan: 1-mjitting primêr ûnderwiis. Provincie Fryslân. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://www.researchgate.net/publication/396164116_It_is_mei_sizzen_net_te_dwaan_-_1-mjitting_primer_underwiis_Taalplan_Frysk_2030
Varkevisser, N., Visser, F., Walsweer, A., & Sjoerdstra, W. (2023). It is mei sizzen net te dwaan: 1-meting voortgezet onderwijs. Provincie Fryslân. Geraadpleegd op 16 april 2026, van https://lectoraatmg.nl/wp-content/uploads/2024/12/NL-vo-Varkevisser-N.A.-Visser-F.-Walsweer-A.-Sjoerdstra-W.-2023.-It-is-mei-sizzen-net-te-dwaan-1-meting-voortgezet-onderwijs-Taalplan-Frysk-2030.pdf
